Philips Gloeilampenfabriek NV

Ongetwijfeld is Philips het enige bedrijf in Nederland waarover vele boeken zijn volgeschreven. Het kleine familiebedrijf uit Eindhoven dat begon als gloeilampenfabriekje en uiteindelijk een van de grootste elektronica multinationals ter wereld werd. Uiteraard zal ik geen verrassende feiten naar boven kunnen brengen over de beginjaren maar een stukje geschiedenis mag op een website als deze niet ontbreken.

De geboorte van de gloeilampenfabriek

In 1891 richtte Gerard Philips samen met zijn vader Frederik Philips de firma Philips & Co op. Het bedrijf werd niet in hun woonplaats Zaltbommel, maar in het 60 kilometer zuidelijker gelegen Eindhoven gevestigd. In deze plaats kon een leegstaand bedrijfspand verkregen worden. De eerste producten waren gloeilampen, waarvan het “Eerste Gloeilampenfabriekje” bewaard is gebleven en tegenwoordig dienst doet als museum. Oorspronkelijk was Philips een eenvoudige assemblagefabriek voor kooldraadlampen. Gerard Philips was echter vooral in research ge├»nteresseerd en legde de basis voor het Philips’ Natuurkundig Laboratorium (NAT LAB) waarvan de opvolger, de High Tech Campus, zich nog steeds in Eindhoven bevindt. Met de komst van Gerards broer Anton Philips, in 1895, werd de leiding van het bedrijf aangevuld met een zakenman die in staat was om de onderneming te doen groeien. In 1899 werd Anton medefirmant van het bedrijf. In 1907 werd de NV Philips’ Metaalgloeilampenfabriek te Eindhoven opgericht, gevolgd in 1912 door de oprichting van de NV Philips’ Gloeilampenfabrieken, waarvan Gerard en Anton Philips de eerste directeuren waren.

De bewoners van Philips-stad

De mensen die Philips nodig had kwamen van heinde en verre. Velen waren afkomstig uit Drenthe, Overijssel, en Gelderland. De Philips Woningbouwvereniging Hertog Hendrik van Lotharingen bouwde huizen in wijken als Philipsdorp en Drents Dorp, er kwamen Philips scholen, een Philips bibliotheek, een Philips ontspanningscentrum en een Philips Sport Vereniging, waaruit ook de bekende PSV voetbalploeg voortkwam. De Philips Bedrijfsschool had een goede naam: hier werd vakmanschap bijgebracht. Verder was er de Etos, ofwel de Philips-kruidenier. Ook werden er parken aangelegd en een villapark voor het hoger Philips personeel. Bijzonder was het Philips-van der Willigenfonds dat kinderen van Philips-medewerkers in staat stelde om een universitaire studie te volgen, zonder dat er de verplichting tegenover stond om bij het bedrijf te komen werken, hoewel een baan bij Philips bijkans zekerheid voor het leven bood.

Oorlog en wederopbouw

De Tweede Wereldoorlog bracht bombardementen met zich mee, hoewel het grootste deel van de Philips-fabrieken vrijwel ongehavend uit de strijd kwam. Het bedrijf kon ook buiten Nederland blijven functioneren, dankzij buitenlandse vestigingen. De tijd van de Wederopbouw ging gepaard met ongekende groei, waarbij Philips in Eindhoven vooral in westelijke richting uitbreidde met onder meer de complexen R en T te Strijp. In 1946 werden in Nederland nieuwe productiebedrijven geopend in Sittard, Roermond en Zwolle. De jaren daarop volgden er nog vele andere. Vele vestigingen verschenen door geheel Nederland, en deze groeiden soms uit tot grote fabrieken waar duizenden mensen werkten.

Verbreding van de productie

Naast fabricage van gloeilampen en radiotoestellen, vanouds de standaardproducten, ging Philips zich vanaf het begin van de jaren 50 van vorige eeuw ook toeleggen op de productie van kortegolf communicatie apparatuur ten behoeve van lucht- en scheepvaart. De apparatuur van die tijd kenmerkte zich door het gebruik van radiobuizen – de transistor stond nog in de kinderschoenen – en stond voor wat betreft betrouwbaarheid op een zeer hoog peil. Philips was een enorm kenniscentrum op het gebied van elektronenbuizen en was onder andere uitvinder van de pentode. Kortegolf communicatieapparatuur als De BX925 en de 8R0 501 waren jarenlang standaardfaciliteiten aan boord van koopvaardij en marineschepen. Ook werd medio jaren 50 de productie van televisietoestellen een belangrijke activiteit. Spreiding van werkgelegenheid en gebruikmaking van nieuwe reservoirs aan arbeidskrachten speelde een grote rol. Ook in Belgi├ź, waar reeds een vestiging in Leuven bestond, werden nieuwe fabrieken geopend, zoals te Hasselt en Turnhout. Geleidelijk aan ging men de productie ook naar het buitenland overbrengen, terwijl men het tekort aan arbeidskrachten verder moest opvangen door gastarbeiders, met name Spanjaarden, in dienst te nemen. Soms leed het bedrijf echter aan een remmende voorsprong, want ondertussen was in 1947 de transistor uitgevonden en op deze ontwikkeling sprong men nogal laat in, aangezien Philips specifieke kennis had van elektronenbuizen.

Concurrentie

Geleidelijk begon ook de concurrentie uit Japan zich te doen gelden, zoals door het in de jaren 50 op de markt brengen van transistorradio’s van het toen nog totaal onbekende merk Sony. De concurrentiestrijd met Japan leidde enige jaren later zelfs tot een soort video-oorlog: Philips bracht als eerste in 1963 de Compact cassette op de markt, die zeer succesvol was. De poging een standaard te vestigen voor videobanden, het Video 2000-systeem, was echter niet succesvol vanwege de concurrentie met het Betamax- en het VHS-systeem.

Tegenwoordig

In de 21ste eeuw is Philips zich meer en meer aan het terugtrekken uit de actieve rol op de markt voor consumentenelektronica. De meeste audiovisuele apparatuur wordt middels OEM samenwerking van andere, (veelal Aziatische) fabrikanten gekocht en onder Philips merknaam op de markt gebracht. Na meer dan vijftig jaar heeft Philips in april 2011 aangekondigd een joint venture aan te gaan met de Chinese fabrikant TPV Technology. Deze zal de televisietoestellen produceren die onder Philips vlag verkocht worden. In deze joint-venture heeft Philips een minderheidsaandeel van 30 procent. De aandacht van Philips wordt meer en meer gericht op de medische wereld waarbij Medical Imaging een grote rol speelt. Op dit gebied wordt veel onderzoek gedaan en wordt Philips inmiddels gezien als een grote speler op de markt.