De High Fidelity groep

Kinderschoenen

Na de tweede wereldoorlog hebben diverse technologische ontwikkelingen een aanzienlijke verbetering van muziekweergave in de huiskamer teweeg gebracht. De magneetband, van oorsprong een Duitse ontwikkeling, heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Artiesten waren nu in staat om in de studio opnames van betere kwaliteit te maken en dat vereiste natuurlijk ook betere weergave-apparatuur. Ook de komst van de 33 toeren langspeelplaat met microgroeftechniek maakte een betere geluidsreproductie mogelijk. Door middel van RIAA karakteristiek werd een vrijwel rechte frequentierespons verkregen over een zeer breed audiospectrum, dit in tegenstelling tot de kwaliteit van oude schellack en bakelietplaten. Daarnaast heeft de introductie van FM radio een zeer grote invloed gehad; de geluidskwaliteit was aanmerkelijk beter dan bij AM waardoor goede opnames voor iedereen met een FM radio ontvanger konden worden gehoord… mits de weergave-apparatuur dezelfde kwaliteit had, uiteraard. Tevens heeft de introductie van stereofonische weergave gezorgd voor een toenemende behoefte aan betere geluidskwaliteit van de weergave-apparatuur.

High Fidelity?

High Fidelity, afgekort tot HiFi is een commerciële term die in de jaren vijftig is geïntroduceerd in de wereld van de geluidsweergave. In het Nederlands is dit het beste te vertalen als “hoge natuurgetrouwheid”. Met High Fidelity wordt bedoeld dat de kwaliteit van het weergegeven geluid een hoge natuurgetrouwheid heeft ten opzichte van het origineel en een zeer lage toegevoegde ruisfactor en vervorming heeft. Door enkele Nederlandse elektronicatijdschriften werd het gebruik van de Nederlandse term ‘werkelijkheidsweergave’ (WW) aangemoedigd, maar die term is nooit massaal in gebruik genomen. Over het algemeen wordt met “High Fidelity” of “HiFi” apparatuur gedoeld op apparatuur van goede, of tenminste bovengemiddelde kwaliteit.

Tijd voor duidelijkheid: De DIN 45.500 normering

High Fidelity op zichzelf stelt geen specifieke eisen aan de gebruikte apparatuur. Het is namelijk geen norm, slechts een kreet. In de beginjaren stelde de titel “HiFi” daarom niet veel voor, omdat elke fabrikant zelf mocht bepalen of hij zijn apparatuur “HiFi waardig” achtte. Tijd voor duidelijkheid, dus. Na een aantal jaren “aanklooien” werd bepaald dat apparatuur die onder de noemer “High Fidelity” verkocht werd, tenminste moest voldoen aan de technische specificaties die zijn vastgelegd in de DIN norm 45.500 (Deutsche Industrie Norm). Deze norm werd in 1966 geïntroduceerd en stelt eisen aan zaken als signaal/ruisverhouding, frequentiebreik, vermogen, distorsie en belastbaarheid. DIN 45.500 is opgedeeld in diverse caternen en omvat de volgende onderwerpen:

  • DIN 45500-1: High fidelity audio equipment and systems; minimum performance requirements;Part 1: general.
  • DIN 45500-2: High fidelity audio equipment and systems; requirements for tuner equipment.
  • DIN 45500-3: High fidelity audio equipment and systems; requirements for disk record reproducing equipment.
  • DIN 45500-4: High fidelity audio equipment and systems; minimum performance requirements for magnetic recording and reproducing equipment.
  • DIN 45500-5: High fidelity audio equipment and systems; minimum performance requirements for microphones.
  • DIN 45500-6: High fidelity audio equipment and systems; minimum performance requirements for amplifiers.
  • DIN 45500-7: High fidelity audio equipment and systems; requirements for loudspeakers.
  • DIN 45500-8: High fidelity audio equipment and systems; for sets and systems.
  • DIN 45500-10: High fidelity audio equipment and systems; minimum performance requirements for headphones.

De exacte inhoud van de DIN 45.500 norm is niet eenvoudig in te zien; de documentatie is slechts tegen betaling bij het Duitse DIN instituut ter inzage verkrijgbaar. Wat we wel hebben is een samenvatting van de DIN 45.500 norm uit een Muiderkring elektronisch jaarboekje, ter beschikking gesteld door Hugo Welther waarvoor mijn dank! Het documentje is hieronder te downloaden:

DIN 45.500 Samenvatting (386 kB)

Na 30 jaar trouwe dienst is in 1996 de DIN norm 45.500 opgeheven. De eisen die deze norm stelde waren inmiddels grotendeels achterhaald waardoor de meeste goedkope stereosetjes met gemak aan deze norm konden voldoen, maar bij lange na geen High Fidelity waren. Alleen de delen 1 en 6 van DIN 45.500 worden opgevolgd door DIN 61305 waarin de eisen voor geluidsapparatuur in een eigentijds jasje herschreven zijn. De overige delen uit DIN 45.500 zijn komen te vervallen.

De Philips High Fidelity groep

In 1968, twee jaar na de “geboorte” van de DIN 45.500 norm, besloot Philips dat het tijd werd om eens serieus aandacht te gaan besteden aan High Fidelity apparatuur. De ontwikkeling en productie van audio apparatuur was op dat moment in handen van de twee Hoofd Industrie Groepen ELA (elektro-akoestiek) en RGT (Radio, Grammofoon en Televisie). ELA ontwikkelde band- en cassetterecorders en RGT hield zich bezig met radio’s, versterkers, luidsprekers en grammofoons. Om de ontwikkeling van HiFi apparatuur optimaal te kunnen stroomlijnen was het van belang dat de lijnen kort werden gehouden. Besloten werd daarom om de band- en cassetterecorders voor consumentengebruik niet langer bij ELA te laten ontwikkelen maar naar RGT te verplaatsen. ELA zou zich vanaf nu alleen nog maar bezig houden met professionele apparatuur. Vanuit de RGT groep werd de subdivisie “HiFi” opgericht met aan het hoofd een zekere mijnheer Piet Gouw. Deze gedreven man met bewezen technische en ook commerciële kwaliteiten werd voor de taak gesteld om voor het merk Philips een complete produktlijn HiFi apparatuur op te zetten. Tuners, versterkers, platenspelers, luidsprekers, cassette- en spoelenrecorders; alles moest vanuit het niets worden ontworpen en natuurlijk voldoen aan die belangrijke DIN normering 45.500 waar heel de wereld vol van was. Piet Gouw en zijn collega’s zijn daarin beslist geslaagd; het bewijs daarvan wordt in ieder geval geleverd door het bestaan van deze website, een eerbetoon aan die “early years” in de Philips HiFi geschiedenis.

Ontwikkeling

In eerste instantie klinkt het heerlijk; zo’n opdracht. “Zet een assortiment HiFi apparatuur op, het beste dat je maken kunt. Voldoe aan die en die normen en het liefst nog een stukje meer. Hier is een team en een budget, succes!” In werkelijkheid is het allemaal niet zo rooskleurig. Piet en zijn team konden tot op zekere hoogte vrij aan het werk, maar liepen regelmatig tegen problemen aan. Zo bestond er vóór de oprichting van de HiFi groep nog geen enkele Philips drieweg luidsprekerbox. Het assortiment bestond voornamelijk uit breedbanders en enkele topmodellen die als tweeweg systeem waren uitgevoerd met een ovalen breebander met whizzercone als midhoog driver. De eerste stap in de richting van drieweg weergave was de 22GL562 in 1967 met twee van die ovaaltjes; hiervan werd er één gefilterd met alleen middensignaal en de ander werd als tweeter behandeld. Een leuke poging, maar nog niet ideaal. Een echte middentoner of tweeter bestond nog niet in het Philips assortiment en moest dus van tekentafel tot fabriek ontwikkeld worden. Piet Gouw, wiens passie (toen al) lag bij de luidsprekers, wilde voor de HiFi lijn beslist een drieweg systeem bouwen en zo ontstond – uit noodzaak – de eerste Philips middentoner. Dit was in feite een aangepaste 5″ breedbander AD3501, die we al kenden uit de “Hi-Q” systemen uit de jaren vijftig. Op dat moment voor Philips een revolutionair moment en in 1968 verscheen in de folders de eerste drieweg luidspreker, de 22RH480. Deze forse jongen met 10 inch woofer had echter één zwaktepunt: er zat geen Philips tweeter in, maar een Japans ingekocht exemplaar. Een tweeter hadden de heren namelijk ook nog niet… Terug naar de tekentafel! En jawel, in 1969 prijkten er in de folders twee oerhollandse drieweg boxen met de inmiddels beroemde oer-dometweeter AD0160 die we in talloze luidsprekerboxen zouden gaan tegenkomen en die de grondlegger zou worden voor een nieuw geluid dat tot dat moment nog niet bestond: het Philips geluid.

Inzichten

Een ander aspect van de HiFi ontwikkeling was natuurlijk marktonderzoek. Het is leuk om allerlei technische snufjes te bedenken, maar wat wil de consument eigenlijk van je hebben? Die gedachte is de basis geweest voor het gehele assortiment aan apparatuur dat Piet Gouw en zijn team op de markt hebben gebracht. Van vormgeving tot technische specificaties; alles moest worden afgestemd op het actuele marktaanbod maar met een eigen interpretatie daarvan. Met name de beroemde “visogen” serie is daarvan een perfect voorbeeld; door de VU meters van versterkers achter bolle, ronde lenzen te plaatsen, kregen de Philips 22RH521, 22RH551, 22RH561 en receiver 22RH720 een uniek, tijdloos uiterlijk dat tot op de dag van vandaag door alle liefhebbers direct herkend wordt. Een van de mijlpalen van Piet en zijn team is beslist de 22RH832 quadrafonische combinatie; een summum van technisch vernuft in een schitterend vormgegeven verpakking. Een toestel dat quadrafonische platen in bijna alle indelingen kon afspelen en tevens een AM/FM radiotuner én viervoudige MFB voorversterker herbergt. Dat deed de concurrentie hen niet na!

Avontuur

Het ontwikkelen van HiFi apparatuur was soms een behoorlijk avontuur, zo weet Piet Gouw te vertellen. Hij refereert daarmee onder andere over de kunsten die hij heeft moeten uithalen om de mannen in de fabriek te overtuigen van de noodzaak van een dome middentoner. De fabriek zag daar geen brood in en dus kreeg Piet zijn middentoner niet. Uiteindelijk heeft hij middels een goed aangepakte grap de fabrieksdirecteur kunnen overtuigen van zijn gelijk en is de middentoner er toch gekomen! Of de talloze presentaties waarbij hij keer op keer zijn eigen creaties moest verdedigen voor kritische vertegenwoordigers en journalisten. Ook daarvoor moest de truckendoos soms ver open, waarover Piet zelf meer vertelt in zijn verhalen…